Home » Rooibos

1. INLEIDING
De laatste decennia is de oorsprong van rooibosthee en van de traditionele kennis in verband met de rooibosplant (Aspalathus linearis) een omstreden en gepolitiseerd onderwerp geworden. Veel mensen in de rooibos-teeltgebieden zijn die kennis gaan beschouwen als deel van hun cultureel erfgoed.
Sarah Ives van de Stanford Universiteit, die hedendaagse sociale relaties in verband met rooibos bestudeerde, ontdekte dat kleurlingen en voornamelijk Afrikaans sprekende bewoners van het rooibos-teeltgebied uiting gaven aan wat ik interpreteer als een liefde voor rooibos die het onderscheid tussen mens en plant doet vervagen. Gekleurde rooibosboeren stelden echter een alternatieve politiek van inheemsheid voor. Zij verwoordden hun opvatting over inheemse saamhorigheid via de rooibosplantage. "1
De term 'kleurlingen', zoals gebruikt in dit artikel, dateert van voor de apartheid en betekent 'mensen van gemengde, overwegend Europese en Khoisan afkomst'. In Zuid-Afrika worden deze mensen over het algemeen beschouwd als leden van één enkele raciale groep, net zoals degenen van overwegend Europese afkomst bekend staan als "blanken". De term "kleurlingen" wordt hier gebruikt zonder enige geringschattende connotatie. Gegevens over het vroege gebruik van rooibos zijn zo schaars en vaag dat het vaak onmogelijk is de gemeenschap of etnische groep te identificeren waarop ze betrekking hebben.  In deze gevallen schrijven wij over deze mensen met gebruikmaking van hun algemeen aanvaarde raciale benaming.
Een deel van dat begrip is de overtuiging dat de traditionele kennis in verband met rooibos zijn oorsprong vindt bij hun San en Khoi voorouders in de regio in de oudheid, zeer waarschijnlijk in de prekoloniale tijd.  In een recente studie, uitgevoerd door Siyanda Samahlubi Consulting voor het Zuidafrikaanse Ministerie van Milieuzaken, werden leden van verschillende, overwegend gekleurde, gemeenschappen van rooibos- en honeybush-producerende gebieden ondervraagd.  De onderzoekers hebben vastgesteld dat "de ondervraagde gemeenschappen de kennis van rooibos in verband brachten met de inheemse bevolking (KhoiSan) en op hun beurt geloven dat de plaatselijke bevolking deze kennis heeft overgedragen aan de Europese kolonisten, met name de Moravische missionarissen. "2
Deze opvatting is algemeen aanvaard, niet alleen door de bewoners van de Cederberg, de Olifants Rivier Vallei en het Suid Bokkeveld, maar ook door de media, academici en sommige van de rooibos fabrikanten en marketeers.
Zoals in dit artikel zal worden aangetoond, hebben de meeste mensen die de laatste vier decennia hebben gesproken of geschreven over de traditionele kennis van rooibos of de oorsprong van rooibosthee, zich gehouden aan de volgende postulaten:
1. 1. De rooibos plant werd gebruikt door de San en Khoikhoi volkeren in pre-koloniale tijden.
2. 2. Specifiek, de warme drank die wij kennen als rooibosthee is ontstaan in de prekoloniale tijd.
3. De traditionele methode van oogsten en verwerken van rooibos voor het maken van die infusie of afkooksel is van een prekoloniale oorsprong.
4. Kolonisten uit de koloniale tijd leerden over rooibosthee van de inheemse volken van de Cederberg.
Het lijkt erop dat deze postulaten nooit zijn getoetst en grotendeels zijn gebaseerd op percepties van degenen die ze naar voren brengen.  Tot op heden zijn er geen gegevens overgelegd over prekoloniaal of zelfs vroegkoloniaal gebruik van de Aspalathus linearis. We hebben geen direct bewijs gezien dat zou aantonen dat de inheemse herders (Khoikhoi) of jager-verzamelaars (San) rooibos gebruikten voor de bereiding van voedsel, drank of medicijnen, of op welke wijze dan ook, vóór de komst van kolonisten uit het koloniale tijdperk.
Er zijn zwaarwegende sociale, politieke en economische redenen om die traditionele kennis te willen verankeren in het prekoloniale tijdperk of althans in de cultuur van de San en de Khoi in het algemeen. Maar we kunnen zeker niet volledig vertrouwen op hedendaagse percepties bij het aanpakken van deze gevoelige kwestie.
Jean-Loïc Le Quellec, Onderzoeksdirecteur van het Institut des Mondes africains, Parijs, was een van de eerste academici die opriep tot verificatie van de bovengenoemde postulaten. Hij waarschuwt ons voor de zogenaamde "uitvinding van de traditie":
Er wordt gespeculeerd dat tradities misschien niet statisch zijn, want "zij passen zich aan, worden voortdurend vernieuwd en bevatten nieuwe gegevens. Het is heel goed mogelijk dat mensen beweren dat het gebruik van rooibos heel oud is, maar dat bewijst niet dat dit ook zo is; het betekent alleen dat de notie van deze oudheid op dit moment springlevend is.'3

De reden waarom mensen - van gewone burgers tot de Zuid-Afrikaanse regering - de "algemene wijsheid" als feit zijn gaan beschouwen, is dat er geen systematisch, alomvattend historisch onderzoek is gedaan naar de oorsprong van de traditionele kennis in verband met rooibos.  Er zijn verschillende studies gedaan naar de medicinale eigenschappen van rooibos, de stand van zaken in de rooibosindustrie of efficiënte methoden om rooibos te verbouwen. Maar een eenvoudige zoektocht in de Google Scholar databank zou een gebrek aan publicaties aantonen over de gebruiksgeschiedenis van de Aspalathus linearis, een van 's werelds beroemdste Zuid-Afrikaanse planten. Evenmin heeft iemand de beschikbare etnobotanische gegevens over rooibos samengevat en geanalyseerd.
Volgens John Parkington, een vooraanstaand Zuid-Afrikaans archeoloog die de oorsprong van het huidige gebruik van planten in de West-Kaap heeft onderzocht, heeft de geschiedenis van rooibos "alle kenmerken van een gecompliceerd academisch vraagstuk, geplaatst in een veel groter vraagstuk van inheemse kennis. Het is zeer gevaarlijk om in dergelijke zaken veronderstellingen te maken.  Om deze kwesties te onderzoeken, moet men deugdelijk archief- en archeologisch onderzoek verrichten. "4
Alvorens uitspraken te doen over de oorsprong van de traditionele kennis over rooibos, moeten we de historische gegevens onderzoeken, waaronder gepubliceerd materiaal, manuscripten, archiefmateriaal en mondelinge geschiedenis.  Afgezien van andere overwegingen die deze taak relevant maken, is het zelfs om academische redenen van belang de waarheid boven tafel te krijgen, die kan afwijken van de "geaccepteerde waarheden".
Als schrijver en historicus, die de oorsprong en ontwikkeling van de rooibosindustrie jarenlang heeft onderzocht en over het onderwerp heeft geschreven,5 werd ik in 2015 door de Zuid-Afrikaanse Rooibosraad benaderd met het verzoek onderzoek te doen naar het vroege gebruik van de Aspalathus linearis. Mijn opdracht was om 'zoveel mogelijk verifieerbare feiten te vinden, wat die ook mogen zijn'.
De raad gaf me de vrije hand in de keuze of onderzoeksmethoden, en voldoende financiering om het onderzoek gedurende enkele maanden uit te voeren in Gauteng en de Westkaap.  Ik moest de historische gegevens objectief onderzoeken en verslag uitbrengen over de vroegste documentatie van het gebruik van de rooibosplant, de directe en indirecte bewijzen van het gebruik van de Aspalathus linearis in de prekoloniale tijd en de oorsprong van de infusie of het afkooksel dat bekend staat als rooibosthee.
Ik zou er nogmaals op willen wijzen dat, wat ook de motieven van de Raad mogen zijn geweest om op dit moment opdracht te geven tot dit onderzoek, ik niet de opdracht heb gekregen om bepaalde stellingen te onderbouwen of bepaalde standpunten te verdedigen. Mijn taak was slechts het zoeken naar historische gegevens, en dat heb ik naar beste vermogen gedaan.  In dit document worden mijn bevindingen gepresenteerd.
Ik heb mij vooral toegelegd op de verificatie van de hierboven vermelde veronderstellingen en op de documentatie van de bestaande traditionele kennis over het gebruik van de Aspalathus linearis voor medicinale doeleinden en voor het maken van een aftreksel of een infusie, alsmede over de rol die deze kennis heeft gespeeld bij de ontwikkeling van de rooibos-industrie. Dit artikel is wellicht de eerste poging om deze zaken te onderzoeken aan de hand van historische gegevens.  In het kader van dit project houden we ons niet bezig met claims van afstammende gemeenschappen of bevolkingsgroepen om als eigenaars van deze traditionele kennis te worden beschouwd en met de daarmee verband houdende morele, ethische en economische kwesties.
Het onderzoek is gebaseerd op primaire schriftelijke bronnen (archiefdocumenten, manuscripten), secundaire schriftelijke bronnen (zoals de verslagen van vroege reizigers, antropologische en archeologische publicaties, proefschriften) en getuigenissen van archeologen, historici, etnobotanici, etnologen, en facilitators van duurzame ontwikkeling van huidige of voormalige leden van gemeenschappen die in de oorspronkelijke rooibos-teeltgebieden woonden. Wat de vroege toepassingen van rooibos betreft, kunnen we deze memoires niet zonder meer als bewijs aanvaarden, aangezien zij veel later werden geproduceerd en gepubliceerd dan de perioden waarop zij betrekking hadden.
Veel informatie werd verzameld tijdens mijn veldbezoeken aan de Cederberg en het Suid Bokkeveld in maart en oktober 2016 In veel gevallen zijn mondelinge getuigenissen de enige bronnen van bewijs met betrekking tot het vroege gebruik van de rooibosplant.  De antropologe Maya Leclercq, die in 2006 kleinschalige rooibosboeren van Wupperthal en het Suid Bokkeveld interviewde, merkte op dat wanneer haar respondenten zinspeelden op de ervaring van hun 'voorvaderen', het ging om 'de twee of drie voorgaande generaties, die de rooibos teelt en de mechanisatie evolutie hebben gekend'.6
In Nieuwoudtville, Onder Melkkraal, Clanwilliam, Wupperthal, Esselbank, Brugkraal, Heuningvlei, Bosdorp, Jamaka en Lambert's Bay werden persoonlijke ongestructureerde interviews afgenomen met huidige of voormalige bewoners van rooibos producerende regio's.  Aanvullende interviews werden afgenomen in Kaapstad en per telefoon met respondenten die momenteel wonen in Kaapstad, Langebaan, en Newbury, Engeland.
Oudere mensen worden beschouwd als de bewaarders van traditionele kennis.  Zij maken al langer gebruik van traditionele geneesmiddelen dan jongere leden van de gemeenschap en hebben deze kennis aan anderen doorgegeven.7 Daarom werden de respondenten aan de hand van verschillende criteria geselecteerd:
a. geboren of het grootste deel van hun leven doorgebracht in de oorspronkelijke rooibos-teeltgebieden;
b. vijftig jaar of ouder;
c. gezien als bewaarders van tradities, inclusief kennis van planten en hun eigenschappen;
d. aanbevolen door hun gemeenschappen of door deskundigen van buiten hun gebieden (bijvoorbeeld door academici die ik in verband met dit project heb geïnterviewd).
Deze interviews werden afgenomen tijdens de laatste fase van het project, nadat alle beschikbare schriftelijke gegevens waren geïdentificeerd en verwerkt, en de verwijzingen en aanbevelingen betreffende de potentiële respondenten waren verkregen. Veel van de interviews, vooral met gekleurde respondenten in rooibos-teeltgebieden die geen Engels spreken, werden gehouden met de genereuze hulp van professor Ben-Erik van Wyk van de Universiteit van Johannesburg, die informeel optrad als moedertaalspreker van het Afrikaans. Tijdens twee interviews in Clanwilliam tolkte Marijke Ehlers van Rooibos Ltd vanuit het Afrikaans naar het Engels.
De Wupperthal Original Rooibos Coöperatie besloot niet deel te nemen aan dit project. Echter, de directeur, Barend Salomo, heeft op persoonlijke titel verschillende vragen beantwoord over het gebruik van rooibos in zijn familie.
Omdat de respondenten voor dit onderzoek zorgvuldig waren geselecteerd op hun vermeende brede ervaring en kennis, heb ik slechts achttien mensen geïnterviewd: acht blanken en tien kleurlingen.  Mijn oudste respondent is geboren in de jaren 1910, en de jongste in 1958. De meeste ondervraagden zijn geboren in de jaren dertig. Zij wonen op dit moment in de Cederberg en het Suid Bokkeveld of hebben daar in de jaren 1930-'70 vele jaren gewoond. Gemiddeld wonen hun families al twee tot drie generaties in het gebied.
2. LITERATUURONDERZOEK
2.1. Algemene beschouwingen
Zoals zal worden aangetoond, gaan de meeste auteurs die hebben geschreven over traditionele kennis in verband met rooibos of de oorsprong van rooibosthee uit van de genoemde ongeverifieerde postulaten. Zoals Susanne Reuther, de auteur van het meest uitgebreide boek over rooibos en zijn gezondheidseigenschappen, opmerkt, "zijn er vele mythen en verhalen verteld over het begin van de geschiedenis van rooibos".8
Met betrekking tot de publicaties die gericht zijn op een algemeen lezerspubliek, is dit vertrouwen op algemene wijsheid begrijpelijk. Maar het is griezelig te moeten constateren dat veel bonafide historici, etnologen en botanici deze beweringen in hun academische werken herhalen zonder ze te controleren. Vaker wel dan niet verzuimen zij bronnen aan te halen om deze beweringen te staven, zoals de etnologe Sarah Ives van de Stanford Universiteit beweert dat in "prekoloniale tijden de plaatselijke Bosjesmannen, of Khoisan, wilde rooibos oogstten en consumeerden. "9
Zelfs wanneer er een citaat is, leidt dit onvermijdelijk tot een andere ongefundeerde bewering.  In een artikel van Julia F Morton in de Economic Botany, dat volgens Google Scholar in meer dan honderd andere werken wordt geciteerd, stelt de auteur bijvoorbeeld dat het "gebruik van rooibos als drank door de Hottentotten voor het eerst werd gemeld door de botanicus Carl Thunberg in 1772". Helaas specificeerde zij niet in welk werk van Thunberg en op welke pagina een dergelijk gebruik zou zijn gemeld.10
Weinig auteurs geven toe dat de "oude geschiedenis van rooibos als drank, medicijn en palliatief voor het Khoi en San volk verloren is gegaan in de eonen der tijden. "11 Vaker kom je voorbarige uitspraken tegen.12 Zoals:
'Het waren de inheemse bewoners van de Cederberg die voor het eerst het genot ontdekten van het drinken van een aftreksel gemaakt van de bladeren van A. linearis.'13
Lang, lang geleden ontdekten de Capoïden, die de Cederberg bewoonden, als eersten de uitzonderlijke kwaliteiten van de rooibos.'14  

Blijkbaar menen deze auteurs dat zij vaststaande feiten aanhalen, die niet meer gevalideerd hoeven te worden. Intussen werd door onderzoekers tot voor kort geen consistente inspanning geleverd om de oorsprong van rooibosthee te achterhalen of althans de veelzijdige traditionele kennis in verband met deze plant te verzamelen en te analyseren. De enige uitzondering zou het werk kunnen zijn van Rhoda Malgas, Universiteit Stellenbosch, die traditionele methoden heeft bestudeerd voor het telen en oogsten van wilde rooibos in het Suid Bokkeveld ter bevordering van duurzame kleinschalige landbouw.15
De beschikbare literatuur over het vroege gebruik van rooibos is inderdaad schaars.  Voordat we beginnen met het verzamelen van informatie uit diverse, vaak zeer onwaarschijnlijke bronnen, laten we eerst kijken naar de meer voor de hand liggende keuzes - de gepubliceerde werken waartoe de onderzoeker zich in de eerste plaats zou wenden bij het bestuderen van de geschiedenis van rooibos.
Koloniale botanische literatuur
Hoewel de bijbel ouder is dan de Europese kolonisatie van zuidelijk Afrika, moeten we deze sectie ermee beginnen, om nog een andere rooibos mythe te ontkrachten.
Sommige auteurs hebben beweerd dat de rooibosplant (Aspalathus linearis) voor het eerst in de Bijbel werd genoemd.48 We vinden het volgende vers in het Boek Ecclesiasticus, of de Wijsheid van Sirach (24:15):
'Ik gaf een zoete geur als kaneel en aspalathus, en ik gaf een aangename geur als de beste mirre, als galbanum, en onyx, en zoete storax, en als de damp van wierook in de tabernakel.'
In verschillende werken uit de Oudheid (Plinius de Oudere's Natuurlijke Historie, Dioscorides' De Materia Medica, Theophrastus' Onderzoek naar Planten) wordt melding gemaakt van een stekelige struik genaamd Aspalathus die een welriekende olie produceert. Er is gesuggereerd dat de benaming afkomstig is van een Semitisch woord dat "kappertje" betekent (Capparis spinosa). Dit wordt bevestigd door Plinius' beschrijving van de plant.49
Deze oude betekenis heeft geen verband met het geslacht van bloeiende planten in de peulvruchtenfamilie dat botanici Aspalathus hebben genoemd. Een bijbels verband met rooibos kan dus worden uitgesloten.
Mogelijk zijn de primaire beschrijvingen van de rooibosplant te vinden in de vroege botanische literatuur.  Professionele naturalisten begonnen pas in 1828 de Cederberg te verkennen. En de eerste wetenschappelijke beschrijvingen van de rooibosplant waren gebaseerd op monsters die in andere delen van de Kaap waren verzameld.50
Ralph Dahlgren, de Zweedse botanicus die rooibos zijn huidige wetenschappelijke naam gaf, Aspalathus linearis, suggereerde dat sommige van de vermeldingen in de pionierende werken over taxonomie, zoals John Ray's Historia plantarum (1686) of Leonard Plukenet's Phytographia plantarum (1691-96) alluderen op rooibos.51 Geen van deze botanici bezocht de Kaap.
De eerste geldige beschrijving van de rooibosplant werd gegeven door de Nederlandse botanicus Nicolaas Laurens Burman in 1768 (als de Psoralea linearis).52 Hij had gestudeerd bij Carl von Linné (Linnaeus), 'de vader van de moderne taxonomie'. Burman was nooit in de Kaap geweest en hield zich vooral bezig met de classificatie van planten, niet met het gebruik ervan.
Linnaeus en zijn leerlingen waren zeer geïnteresseerd in theesurrogaten - vooral omdat zij op zoek waren naar een betaalbare vervanging voor het geïmporteerde Chinese product. Hij promootte zelfs een surrogaat dat hij 'Kaapse thee' noemde, om in te spelen op de populariteit van koloniale waren.  Het hoofdbestanddeel was de twinflower, een geneeskrachtige plant van de inheemse bevolking van Lapland.53
Het is geen wonder dat zijn eerste leerling die de Kaap bereikte en daar botanisch onderzoek verrichtte, veel aandacht besteedde aan plaatselijke ersatz-thee. De Zweedse naturalist Carl Peter Thunberg, bekend als 'de vader van de Zuid-Afrikaanse botanie', kreeg van Burman de opdracht om specimens te verzamelen in Japan en de Nederlandse koloniën. In 1772--5 ondernam hij drie expedities in het binnenland van de Kaap.
Thunberg verkende de noordelijke Bokkeveld escarpment tot aan het Nieuwoudtville plateau en verder tot aan het Roggeveld.54 Zoals in de vorige paragraaf is aangetoond, noemde hij de rooibos plant niet in zijn memoires Travels at the Cape of Good Hope, die hij samenstelde uit zijn reisnotities bij zijn terugkeer naar Europa.  Maar in zijn Prodrumus Plantarum Capensium (1800), een baanbrekend werk over Kaapse planten, introduceerde Thunberg rooibos als de Lebeckia contaminate, hoewel er geen informatie over de toepassingen van de plant werd gegeven.55

In 1825 beschreef Augustin Pyramus de Candolle, een Zwitserse botanicus die het concept van de biologische klok uitvond en Charles Darwin beïnvloedde, de rooibosplant en noemde deze Aspalathus tenuifolia. Omdat hij de Kaap nooit had bezocht, gebruikte hij het specimen uit het herbarium van Aylmer Bourke Lambert, verzameld in 1816.56
In een van de vroegste plaatselijke studies over inheemse planten van de Kaap (1829--30) beschreef James Bowie de honeybush en wees erop dat zijn aftreksel "veel gebruikt werd door de kolonisten als een herstellend middel".57 Maar hij maakte geen enkele opmerking over rooibos.
Ernst Mey, een Duitse botanicus, stelde een nieuwe benaming voor de rooibosplant voor, Aspalathus corymbosa (1832). De naam werd overgenomen door verschillende vooraanstaande naturalisten en taxonomen - waaronder Karl Zeyher, de pionier van de botanische exploratie van de Cederberg.58 Hij verzamelde daar in 1828 en 1831.59
De tuinbouwkundige en botanische verzamelaar Franz Drège reisde in de Cederberg (Clanwilliam en Wupperthal gebieden) in 1830--4.60 Een rooibos specimen dat hij meebracht werd bestudeerd door Karel Presl, een professor in de natuurlijke historie in Praag, die de plant Aspalathus cognata noemde.61 In zijn boek beschreef en classificeerde Presl alleen planten, hij gaf geen verdere informatie. We weten niet of de gebroeders Drège de plaatselijke bevolking de rooibos op enigerlei wijze hebben zien gebruiken.
De eerste botanicus die de rooibos identificeerde als het ingrediënt van een drank die bekend staat als rooibosthee was de in Duitsland geboren Rudolf Marloth. Ik heb geen informatie kunnen vinden over toepassingen van de rooibossoort in geschriften van andere botanici in de Kaapkolonie vóór Marloth.
Marloth, die rooibos de Borbonia pinifolia noemde, vertelde de Royal Society of South Africa in mei 1911:
.... De Вorbonia is van economisch belang, omdat zij de bron is van een koloniale thee, namelijk de rooibosch-thee ..... Deze plant is van bijzonder belang, omdat zij de "rooibosh-thee" levert, die nu zo veel gebruikt wordt in Zuid-Afrika, hetzij onder deze naam, hetzij als "naald-thee" of "koopmans-thee".'62
Deze aankondiging was in dat stadium nauwelijks nieuwswaardig, omdat de rooibosthee-industrie enkele jaren daarvoor was opgekomen en het product in de Kaapprovincie werd verpakt en gedistribueerd.
Waarom Marloth niet eerder over deze drank had geschreven blijft een raadsel. Hij was sinds 1891 getrouwd met een dame uit Clanwilliam en voerde expedities uit naar de Cederberg en het Bokkeveld in 1901--3.63 Marloth bracht veel tijd door in de omgeving van Clanwilliam en ondervroeg de plaatselijke bewoners over planten en het gebruik ervan.64 Het is moeilijk te geloven dat hij vóór 1911 niet van rooibosthee had geweten. Toch heb ik geen enkele opmerking over de rooibosplant en het gebruik ervan kunnen vinden in zijn vroegere werk of tussen zijn papieren in de universiteitsbibliotheken van Stellenbosch.65
John Rourke heeft erop gewezen dat de traditie van het gebruik van peulvruchten als vervanging voor Chinese thee in de Kaap goed gevestigd en gedocumenteerd was.66 Honeybush (geslacht Cyclopia) is een andere Zuid-Afrikaanse peulvrucht die als thee en geneesmiddel werd gebruikt. Volgens Ludwig Pappe, die in het midden van de negentiende eeuw de eerste systematische en uitvoerige beschrijving van Kaapse geneeskrachtige planten opstelde, hielp honingbushthee "bij chronische catarre, en zelfs bij consumptie".67
De auteurs van bovengenoemd rapport voor het Departement van Milieuzaken merken op dat Pappe ook de Borbonia parviflora, tegenwoordig bekend als de Aspalathus crenata, als geneeskrachtige plant identificeerde.68 Toch impliceert de aanwezigheid van een andere soort van hetzelfde geslacht Aspalathus in Pappe's boek niet dat rooibos van oudsher als geneeskrachtig werd beschouwd. Hij heeft de rooibosplant in geen van de drie edities van zijn werk aangeroerd.  In ieder geval is Pappe's boek geen bron over het gebruik van inheemse Zuid-Afrikaanse planten in de prekoloniale tijd. De ondertitel suggereert dat het een gids is van soorten "die door de kolonisten van Kaap de Goede Hoop als remedies werden gebruikt".
Het overzicht van de vroege botanische literatuur heeft ons geen inzicht verschaft in de oorsprong van de rooibosthee of het traditionele gebruik van de rooibosplant. Waarschijnlijk is dit te wijten aan het feit dat botanici, zelfs zij die naar de Cederberg reisden, zich meer bezighielden met het verzamelen en beschrijven van specimens dan met de traditionele kennis over deze planten. Zij probeerden de soorten te classificeren, de juiste plaats voor hen te vinden binnen de globale ordening die zij wilden traceren. Weinig van de botanici en reizigers toonden belangstelling voor etnobotanische aspecten.
2.5. Postkoloniale botanische literatuur

Wanneer we ons wenden tot meer recente literatuur over de Zuidafrikaanse flora, zullen we nog steeds moeite hebben om geldige etnobotanische gegevens te vinden over de traditionele kennis van rooibos, als drank of medicijn. Toch blijven ongefundeerde beweringen over de aard en de oorsprong van die kennis bestaan.
Professor Ben-Erik van Wyk van de Universiteit van Johannesburg, Zuid-Afrika's belangrijkste autoriteit op het gebied van inheemse medicinale planten, ontkwam niet aan deze valkuil in een vroeg stadium toen hij schreef: "We weten dat [rooibos] de traditionele drank was van het Khoi volk uit de Cedarberg regio van de Kaap". 69 Toen hij zich realiseerde dat dergelijke uitspraken niet gestaafd konden worden met onderzoeksgegevens (er was immers geen onderzoek gedaan naar de geschiedenis van rooibos), heeft hij rooibosthee aangeduid als 'een traditionele drank van het Khoi-afstammende volk uit de Clanwilliam regio'.70
Als de rooiboskennis geworteld is in de Khoikhoi-traditie, dan zou er een inheemse naam voor kunnen bestaan, zoals voor de meeste andere belangrijke planten die inheems zijn in de West-Kaap.71 Maar alle gangbare benamingen van de Aspalathus linearis die tot nu toe zijn vastgesteld, zijn van Afrikaans-, Nederlandse of Engelse oorsprong.72 Het gaat om rooibos, naaldtee, swarttee, koopmanstee, bossiestee en bush tea.
Zoals Le Quellec heeft opgemerkt, zou een Khoisanaam voor rooibos simpelweg vergeten kunnen zijn in het nu overwegend Afrikaans sprekende gebied.73 Een andere reden zou kunnen zijn dat rooibos van ondergeschikt belang was in de prekoloniale tijd en gedurende het grootste deel van de koloniale tijd, waardoor het alleen bekend is onder namen in de op dat moment heersende taal van het gebied.
Niet alleen voor rooibos en honeybush, maar voor de overgrote meerderheid van de planten die voor de bereiding van Kaapse kruidenthee worden gebruikt, ontbreken gedocumenteerde namen in de volkstaal. Van de meer dan vijftig soorten Zuid-Afrikaanse planten waarvan bekend is dat zij in de Kaap als "thee" in aftreksel of afkooksel werden geconsumeerd, heeft er slechts één een geregistreerde Khoi of San naam (t'kamma (Mentha longifolia).74 Dit sluit buchu en channa uit, omdat deze oorspronkelijk niet als thee werden gebruikt, maar respectievelijk als uitwendig cosmetisch middel en als kauwgom.
Kaapse kruidenthee is bekend als drank voor regelmatige consumptie. Indien deze dranken deel uitmaakten van de traditionele plantenconsumptie van de Khoi en San in het pre-koloniale tijdperk en door deze volkeren aan de koloniale kolonisten werden geïntroduceerd, is het zeer waarschijnlijk dat hun namen in de volkstaal zouden zijn opgetekend en bewaard.
Volgens een deel van de recente literatuur over Afrikaanse geneeskrachtige planten is Aspalathus linearis een belangrijke Zuidafrikaanse geneeskrachtige plant die in de Kaapprovincie van dat land al eeuwenlang wordt gebruikt. In de traditionele Zuid-Afrikaanse geneeskunde wordt Aspalathus linearis vooral gebruikt ter verlichting van zuigelingenkolieken, allergieën, astma en dermatologische problemen". Er worden echter geen citaten gegeven om deze bewering te staven.75
Als we ons wenden tot een vroegere periode, vinden we John Mitchell Watt die rooibos noemt als een Zuid-Afrikaanse medicinale plant in zijn veelgeprezen studie (1932). Hij specificeerde echter niet voor welke kwalen de plant moest worden toegepast.76 Aangezien er op dat moment nog geen academisch onderzoek naar de geneeskrachtige eigenschappen van rooibos was gedaan, kunnen we alleen maar aannemen dat Watt rooibos opnam vanwege een of andere traditionele kennis waarvan hij op de hoogte was - en waarover hij, helaas, niet rapporteerde.
Deze remedies maken gebruik van zeven 'bush teas', waaronder één die behoort tot het Aspalathus geslacht (bergtee, of de Aspalathus crenata) en tenminste twee die vaak voorkomen in de omgeving van Clanwilliam (buchu: de Agathosma betulina of de Agathosma crenulata; hongerblomtee, of de Senecio arenarius).77 De rooibos plant maakt echter geen deel uit van één van de recepten.
Pas nadat Annekie Theron, een huisvrouw uit Transvaal, zich realiseerde dat rooibosthee het braken en diarree bij zuigelingen kan stoppen (1968) en haar bevindingen in de populaire media in heel Zuid-Afrika bekend maakte, raakten academici geïnteresseerd in het onderzoeken van het curatieve potentieel van de Aspalathus linearis. De eerste resultaten werden gepubliceerd in 1974.78

Het wetenschappelijk onderzoek werd echter niet ingegeven door de traditionele kennis over rooibos, al was het maar omdat die kennis destijds beperkt bleef tot de rooibosproducerende gebieden.
In de publicaties van na 1968, zowel populaire als academische, kunnen beschrijvingen van traditioneel erkende medicinale voordelen van rooibos worden herleid tot Theron's bevindingen. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het werk van Margaret Roberts, een erkend Zuid-Afrikaans deskundige op het gebied van inheemse medicinale planten, die schreef:
"Traditioneel is rooibos vooral bekend om zijn gebruik bij allergische aandoeningen. Het is zo voedzaam dat het melk kan vervangen bij baby's met melkallergie en nuttig is bij braken, diarree en maagklachten. Niet alleen is rooibosthee een gezonde tonic, maar gegeven aan kinderen die aan hooikoorts lijden of aan baby's met kolieken, is het een zekere genezing.'79
Roberts' vertrouwen op Theron's verklaringen als bron van traditionele kennis in verband met de rooibosplant was natuurlijk, omdat er begin jaren tachtig nog geen academisch onderzoek naar dergelijke kennis was verricht. Het is verbazingwekkend dat dergelijk onderzoek zelfs veel later niet is gedaan, of althans niet is gepubliceerd. In moderne werken over dit onderwerp wordt de Aspalathus linearis als een geneeskrachtige plant beschouwd op basis van de resultaten van wetenschappelijk onderzoek dat vanaf de jaren zeventig is verricht80.
Een waarschijnlijke bron van informatie over het traditionele gebruik van rooibos zou The South African Pharmacopoeia zijn geweest, een groot project van The South African Traditional Medicines Research Group.  De groep, die in 1997 werd opgericht met financiële steun van de South African Medical Research Council, bestond uit wetenschappers van de School of Pharmacy van de University of the Western Cape en de Medical School van de University of Cape Town. Zij stelden farmaceutische monografieën op voor tientallen geneeskrachtige planten die inheems zijn in Zuid-Afrika.  De Aspalathus linearis kwam daar echter niet in voor.81 Volgens professor Peter Smith van de Universiteit van Kaapstad, een voormalig directeur van de groep, hebben zij geen onderzoek gedaan naar de rooibosplant.82 Deze eenheid is nu ter ziele.
African Herbal Pharmacopoeia (2010), geproduceerd door de Association of African Medicinal Plants Standards, Mauritius, met financiering van de Europese Unie, heeft rooibos geïdentificeerd als een van de eenenvijftig belangrijkste medicinale planten van het continent. De auteurs wijzen erop dat rooibos voornamelijk wordt gebruikt als een "gezondheidsdrank", met een "traditioneel bewezen" tonische en krampstillende werking.83 Er wordt geen bron voor deze informatie geciteerd, en in dit werk worden geen verdere details verstrekt over etnofarmacologische toepassingen van de rooibosplant.
MEDICIJN 
Als de San geloofden dat de Aspalathus linearis geneeskrachtige eigenschappen had, zou dit voor hen een reden kunnen zijn geweest om van deze plant een drank te maken of op een andere manier te gebruiken. We kunnen er echter niet van uitgaan dat zij dit deden, omdat de meeste van hun medicinale overleveringen, vooral in de gebieden ten zuiden van de Kalahari, verloren zijn gegaan.112
Lorna Marshall, die in het begin van de jaren 1950 veldwerk verrichtte onder de !Kung van de Kalahari, rapporteerde dat dit San-volk voor zijn leven afhankelijk was van hun grondige kennis van de omgeving. Kleine kwalen werden niet door genezers behandeld, maar door de mensen zelf, met medicijnen die zij zelf maakten van planten waarvan zij geloven dat ze genezende of beschermende n/um [energie] bezitten.'113
Men denkt dat de oorspronkelijke manier van medicijngebruik door de San (en misschien ook de Khoikhoi) was door te kauwen, niet door te drinken.  Volgens Van Wyk vereist de bereiding van een dergelijk medicijn geen hakken of kneuzen, wat wel deel uitmaakt van het productieproces van wilde en gecultiveerde rooibosthee.114
Het maken van infusies en afkooksels door San in de Kalahari is echter wel gedocumenteerd.  In de jaren 1920 merkte Viktor Lebzelter, een invloedrijke Oostenrijkse etnograaf, op dat de Damara geneeskunde in Okombahe afkooksels in poedervorm omvatte.  Een dergelijke praktijk, evenals het koken van water, zou zijn ontstaan na 1870, toen een Duitse Rijnlandse missie daar werd gevestigd. Er wordt gezegd dat de plaatselijke Damara's sterk geaccultureerd waren.115
In de jaren 1950-1960 noteerde Silberbauer dat G/wi Bosjesmannen een aftreksel van de Ammocharis coranica dronken als tegengif voor pijlgif en een afkooksel van de Terminalia sericea als laxeermiddel.116

In 2001 interviewde Chris Low tientallen San in Namibië voor zijn doctoraalscriptie over de geneeswijzen van de Khoisan.  Sommige van zijn respondenten (Damara, Hai//om en Ju/'hoan; de oudsten zijn geboren in de jaren twintig) verklaarden dat zij afkooksels van verschillende lokale planten gebruikten als behandeling tegen hoest, jeukende keel, pijn op de borst, gonorroe en zelfs aids.117 Low stelt dat "[d]rinken van een afkooksel van bepaalde delen van een plant, vaak de wortels, waarschijnlijk de meest gebruikelijke vorm van medicatie is onder Khoisan-gemeenschappen".118
Er is echter nauwelijks bewijs dat niet-geaccultureerde San infusies en afkooksels maakten in de negentiende eeuw of eerder. Alle hierboven geciteerde gegevens werden minder dan honderd jaar geleden verzameld, toen de betrokken gemeenschappen infusies en afkooksels konden leren maken van andere bevolkingsgroepen waarmee ze contact hadden.
3.1.4. VEEHOUDERS EN ROOIBOS 
Tot in de jaren negentig waren de antropologische en etnobotanische studies van de inheemse volkeren van zuidelijk Afrika hoofdzakelijk gewijd aan de Kalahari San. Onderzoekers begonnen pas daarna het plantgebruik van de herders in de noordwestelijke delen van de regio te onderzoeken.119 Sindsdien zijn echter enkele belangrijke gegevens verzameld, die mogelijk ook geldig zijn voor het traditionele gebruik van rooibos door de Khoikhoi.
Voordat we nagaan of er inferentieel bewijs is dat de Khoikhoi gebruik konden maken van rooibos als drank of medicijn, wil ik uw aandacht vestigen op een uitspraak van Abraham Ockhuis van de Heuningvlei, Cederberg.  Hij meldt dat toen hij een kind was in de jaren 1950, lokale vrouwen rooibos mengden met vet en dit op hun huid smeerden om het een aangename roodachtige kleur te geven.120
Van Nama-sprekers in de Kalahari is bekend dat zij rode oker in poedervorm met vet mengden om een rode gezichtsverf te maken, die werd aangebracht 'vooral na ziekte of na een bevalling, om zich beter te voelen en anders te zijn'.121 De gewoonte om rooibos als pigment te gebruiken zou oude Khoikhoi wortels kunnen hebben.
3.1.5. BEVERAGE 
De vraag of de jager-verzamelaars in de rooibos-teeltgebieden water konden koken vóór de komst van de koloniale kolonisten uit het koloniale tijdperk zou ook kunnen gelden voor de pastoralisten. Janette Deacon, een Zuid-Afrikaanse archeologe die gespecialiseerd is in erfgoedbeheer en het behoud van rotskunst, merkte over deze veronderstelling het volgende op: "Het is niet duidelijk of het aardewerk aardewerk dat door de KhoeKhoe werd vervaardigd, in de prekoloniale tijd geschikt was voor het koken van water om thee te zetten, of om thee uit te drinken. Misschien begonnen zij pas rooibos als thee te bereiden en te drinken toen metalen potten, ketels en bekers werden ingevoerd en beschikbaar kwamen voor Europese huishoudens.'122
Toch zijn er in de literatuur vaak toespelingen te vinden op inheemse infusies.  Renata Coetzee, een vooraanstaand deskundige op het gebied van de geschiedenis van de Zuid-Afrikaanse keuken, merkt op dat de Khoisan 'thee' dronken, gebrouwen van meer dan vijftien plantensoorten - zowel als verfrissing als medicijn. Zij specificeert niet of deze dranken opkwamen voor of na de komst van de kolonisten.123
Isaac Schapera merkte aan het eind van de veertiger jaren op dat de Khoikhoi 'aftreksels van verschillende peulvruchten en kruiden' gebruikten, totdat thee en koffie, geïntroduceerd door Europese kolonisten, deze dranken verdrongen, 'behalve misschien in geval van ziekte'.124
Ansie Hoff, die in haar proefschrift het traditionele wereldbeeld van de Khoikhoi heeft onderzocht, heeft gesuggereerd dat zij oorspronkelijk rooibos als smaakstof zouden hebben gebruikt.  Zij ontdekte dat de Khoikhoi in Namaqualand graag stukjes van verschillende planten toevoegden aan melk en zwarte thee 'voor de smaak'.125 Schapera gaf verder bewijs voor een dergelijke praktijk door op te tekenen dat de Khoikhoi gebruik maakten van het mengen van verse melk met een plantaardige substantie die werd gekauwd en er in werd gespuwd.  Op die manier produceerden ze een dikke zure melk, een van hun basisvoedingsmiddelen.126 We kunnen zelfs speculeren dat dit gebruik gedeeltelijk is blijven bestaan in de Cederbergse gewoonte om rooibosthee en melk te mengen voor het voeden van baby's (zie deel II.2.2).
Chris Low heeft vastgesteld dat het drinken van brouwsels voor het verlichten van maagproblemen, reiniging en als algemeen tonicum "een essentieel onderdeel is van het leven van de Khoekhoe en, daar twijfel ik niet aan, al eeuwenlang, ver voor de koloniale tijd". Tegelijkertijd betwijfelt hij of het nuttigen van warme dranken als rooibosthee puur voor het plezier 'een deel van hun levensstijl zou zijn geweest.'127 Low is geen informatie tegengekomen over inheems gebruik van rooibos als drank in de vroegste tijden. Volgens hem kan de rooibos infusie een van de vele Khoikhoi dranken van inheemse planten zijn geweest die werden gebruikt 'voor redenen die grensden aan genot, therapie en voeding'.128

3.1.6. MEDICIJN 
Andrew Smith acht het mogelijk dat het gebruik van rooibos al voor de komst van de vroege kolonisten deel uitmaakte van de farmacopeia van de Khoikhoi in de Cederberg.  Door de inferieure status van de Khoikhoi en hun nakomelingen in de koloniale samenleving, 'dachten weinig mensen eraan om hen te vragen naar hun farmacopeia; zo is veel van deze waardevolle informatie verdwenen naarmate de oudere generatie uitstierf'129.
In de noordwestelijke regio's van Zuid-Afrika en de zuidelijke regio's van Namibië, waar veel van de Cederberg Khoikhoi in het koloniale tijdperk naartoe migreerden, is hun medicinale kennis in gevaar gebracht.130
Het gebruik van aftreksels en afkooksels voor medicinale doeleinden door Khoikhoi-volkeren is in de twintigste eeuw gedocumenteerd.  Zo wordt kanna (Sceletium tortuosum) in Namaqualand traditioneel gebruikt als aftreksel en aftreksel om babykolieken te behandelen.131 Een soortgelijk gebruik van rooibosthee werd bekend nadat Annekie Theron er ruchtbaarheid aan had gegeven.
In 1994 voltooide Fiona Archer haar proefschrift over het traditionele gebruik van planten bij de afstammelingen van de Nama-sprekende Khoikhoi veehouders in Namaqualand, Zuid-Afrika. Hoewel hun gemeenschappen sterk geaccultureerd waren, waren zij voor hun levensonderhoud nog gedeeltelijk afhankelijk van plaatselijke planten.  Archer stelde vast dat de Khoikhoi in het Richtersveld warme aftreksels, afkooksels, dampbaden (de patiënt inhaleerde de dampen van afkooksels) en lotions gemaakt van aftreksels gebruikten.132
Zij maakte een lijst van tientallen planten die door de Khoikhoi in het Richtersveld traditioneel voor therapeutische doeleinden werden gebruikt in aftreksels en afkooksels.  De lijst omvat verschillende plantengeslachten, maar niet de Aspalathus. Op enkele uitzonderingen na zijn de in haar dissertatie genoemde gegevens over medicinale aftreksels en afkooksels verkregen in de tweede helft van de twintigste eeuw.133
Ook Ansie Hoff becommentarieerde verschillende aftreksels in haar proefschrift over het traditionele wereldbeeld van de Khoikhoi in het noordwesten van Zuid-Afrika en het zuiden van Namibië.134 Men moet echter niet vergeten dat Hoff haar veldwerk deed in de jaren tachtig, nadat 'de politieke organisatie en de economische structuur van de Khoikhoi ernstig waren aangetast door het proces van verwestering'.135 Op etnisch niveau was er op grote schaal sprake geweest van intermigratie met de blanke en gekleurde bevolking.136 De relatief recente gegevens die Hoff verzamelde, kunnen als zodanig niet impliceren dat het maken van infusies voor medicinale doeleinden door de Khoikhoi zijn oorsprong vond in de prekoloniale tijd.
EERSTE BEWIJSMATERIAAL 
Academici en ambtenaren uit de koloniale tijd blijken tot in de laatste decennia van de negentiende eeuw niet op de hoogte te zijn geweest van rooibosthee.
De conservator van de Kew Museums, Londen, die in 1873 schreef over 'African tea plants', maakte geen melding van de plant die wij kennen als de Aspalathus linearis.197 Ruim twintig jaar later, in een artikel gewijd aan de Zuid-Afrikaanse 'bush teas', noemde de Government Botanist van de Kaapkolonie, een dozijn soorten, maar geen rooibos.198
Zelfs bij gebrek aan geschreven bronnen hebben we reden om aan te nemen dat er in ieder geval vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw in de Cederberg een warme rooibosdrank werd gemaakt en gedronken.
In mijn interviews verklaarden oudere bewoners van de streek dat hun ouders en soms hun grootouders rooibosthee dronken. Benjamin Zimri van Brugkraal herinnert zich dat zijn vader (geboren in 1898) en grootvader wilde rooibos oogstten en er thee van zetten.199 Theunis Jooste, naar verluidt de oudste inwoner van Clanwilliam (geboren in de jaren 1910), meldt dat zijn ouders rooibos verzamelden en dronken.200
De vroegste vermelding van het gebruik van rooibos die ik heb kunnen vinden werd helemaal aan het eind van de negentiende eeuw gemaakt door een beroemde Zuid-Afrikaanse schrijver, C Louis Leipoldt (1880--1947).  Hij bracht zijn kinder- en tienerjaren door in Clanwilliam, vanaf 1884. Leipoldts familie had trouwens een lange band met Wupperthal. Zijn overgrootvader stichtte en leidde de eerste Rijnlandse missieposten in de Cederberg.  Leipoldts vader was het hoofd van de Nederlands Hervormde gemeente van Clanwilliam, die niet-blanke leden had.
Leipoldt leek te zinspelen op rooibos in een van zijn eerste gepubliceerde werken: een essay over Clanwilliam dat verscheen in het Cape Illustrated Magazine van mei 1898.  Volgens Leipoldt had een plaatselijke winkel, die klanten van alle rassen bediende, 'a chest of tea and sack of bush tea' in voorraad.201

Zijn opmerking bewijst dat algemene winkels in het district Clanwilliam tegen de jaren 1890 naast Chinese thee ook thee van inheemse planten begonnen aan te bieden. Zoals eerder gezegd, hebben we geen gegevens over de periode daarvoor, hoewel het feit dat winkels in de omgeving Chinese thee aanboden ten minste vanaf 1840 is gedocumenteerd.
Rooibos was niet het enige aftreksel of aftreksel dat als thee werd gedronken in de oorspronkelijke rooibos-teeltgebieden. Andere soorten waren geelblommetjiestee (Leysera gnaphalodes), litjiestee (Viscum capense of Thesium spicatum) en vaaltee (Plecostachys serpyllifolia). Voordat de rooibosindustrie strikte kwaliteitsnormen had opgelegd, mengden fabrikanten vaak rooibos met deze soorten voor de markt.202
Toch zou Leipoldt in het geciteerde fragment over rooibos kunnen schrijven.  Zelfs later, toen hij specifiek schreef over de teelt van de Aspalathus linearis, noemde hij die drank 'bossiestee' (struikthee), en niet 'rooibosthee'.203 Leipoldt's verklaring kan worden bevestigd door een artikel uit de jaren 1950 in Zuid-Afrika's belangrijkste landbouwpublicatie. De auteur beweerde dat rooibos tegen 1890 beschikbaar was gekomen in de Cederberg general stores.204
Maar niet elke opmerking over 'bush tea' in Leipoldt's geschriften over de Cederberg en de Olifants Rivier Vallei kan worden opgevat als een verwijzing naar rooibos.
In zijn jeugd meende Leipoldt dat Clanwilliam, een rustig dorp met zo'n 800 inwoners, en zijn omgeving niet inspirerend genoeg waren om een decor te worden voor een driedelige roman.205 Maar uiteindelijk produceerde hij veel later toch zo'n trilogie, bekend als De Vallei. Voor deze studie is vooral het eerste deel van belang: de roman met de titel Gallows Gecko, of Kameleon aan de galg. De trilogie bestrijkt bijna 100 jaar in de geschiedenis van de regio, te beginnen bij de jaren 1830, het tijdsbestek van Gallows Gecko. Ook in de andere twee romans (Stormwrack (1895-1902) en The Mask (1920)) heeft Leipoldt de 'bush tea' aangestipt, maar slechts terloops.
Galgengekko werd geproduceerd in het begin van de jaren 1930, lang nadat Leipoldt was verhuisd uit de Cederberg.206 Leipoldt schreef het niet als ooggetuige: hij was bijna vijftig jaar later geboren dan de periode die hij beschreef.  Maar we mogen aannemen dat hij zich baseerde op de plaatselijke mondelinge geschiedenis, die hij in zijn jeugd leerde kennen door kennissen te onderhouden met zowel blanke als niet-blanke bewoners van de streek.207
Leipoldt vertelde in zijn roman over de producten van een plaatselijke boerderij en noemde 'buchu en bush tea, which were easily salesable in the valley and beyond'.208 In een andere passage, waarin hij commentaar gaf op goederen die verkrijgbaar waren in een boerderijwinkel, wees Leipoldt erop dat Aziatische thee, die in loden verpakking werd verkocht, zelfs voor blanke klanten duur was. Daarom, zo schreef hij, stelden de meeste mensen in de vallei zich tevreden met thee van een lokale, samengestelde plant die aangenaam van smaak was, veel minder tannine bevatte dan het geïmporteerde artikel, gezonder was om te drinken en het bijkomende voordeel had dat hij verkrijgbaar was voor iedereen die de moeite nam om hem van de heuvels te plukken.'209
Dit fictieve verslag van een voormalige inwoner van Clanwilliam die te jong was om een originele bron van informatie te zijn over de periode in kwestie (jaren 1830) kan niet worden beschouwd als een historisch document. Aangezien Leipoldt echter een uitgebreide kennis had van zowel de flora als de mondelinge en schriftelijke geschiedenis van de Cederberg, kunnen we bovenstaande opmerkingen interpreteren als een aanwijzing dat een thee gemaakt van een bepaalde Afrikaanse plant lang voor de jaren 1890 zijn oorsprong vond en door de plaatselijke bevolking werd gezien als een betaalbaar alternatief voor geïmporteerde Chinese thee. Het suggereert ook dat er aan het eind van de negentiende eeuw (toen Leipoldt in Clanwilliam woonde) onder de bewoners van de regio een perceptie bestond dat althans sommige lokale planten werden gebruikt voor een thee-achtig aftreksel en al in de eerste helft van de negentiende eeuw werden verkocht.
Uit het adjectief "composiet" dat Leipoldt, die een grondige kennis had van botanische terminologie, gebruikt, blijkt dat hij niet de Aspalathus linearis in gedachten had, maar de Leysera gnaphalodes, of geelblommetjiestee.  Deze laatste is afgeleid van een bloeiende plant die behoort tot de Asteraceae (Compositae) familie, niet een peulvrucht zoals de rooibos.210'Zeer weinig van onze inheemse planten zijn zo veel in huiselijk gebruik als deze, bekend als Geele bloemetjies- dee', getuigde Ludwig Pappe in de jaren 1850.211

Zijn jongere collega, Rudolf Marloth, noemde die drank in 1909 de 'Thee van de Cederbergen'. Hij stelde dat de drank gemaakt van de Leysera gnaphalodes de meest populaire thee van de streek was, en niet de rooibosthee
Het schijnt dat de vroegste bereidingswijze van rooibosthee in de twintigste eeuw niet infusie was, maar afkooksel. Dit is mij medegedeeld door verschillende respondenten, zowel blank als niet-blank, geboren in de jaren vijftig of eerder. Elsabé Kotzé, die opgroeide op een boerderij in de Cederberg in de jaren veertig-vijftig, herinnert zich dat een pot rooibosthee de hele dag op het fornuis bleef staan.257 Ben-Erik van Wyk, die begin jaren zeventig in Nieuwoudtville woonde, vertelt dat een ketel rooibosthee vroeger van 's ochtends tot 's avonds op een sudderplaatje op het fornuis bleef staan. 'Je deed er regelmatig water en thee bij en maakte het één keer per week schoon', zegt hij. 'De traditionele thee was heel sterk. Die smaak krijg je niet door rooibos in een theezakje te laten trekken.'258
Volgens Rhoda Malgas wordt rooibosthee nog steeds op die manier gemaakt door gekleurde gemeenschappen in het Suid Bokkeveld. Dit sterke aftreksel dient als een tonicum, een 'opkikker' die men drinkt op weg naar het werk.259 Dit was ook de traditionele manier om de rooibosdrank in Wupperthal te bereiden.  Allan Kaplan, die het gebied voor het eerst bezocht in de jaren 1950, vertelt dat de lokale bevolking rooibosbladeren en stokkies (stokjes) brouwde in zwartgeblakerde potten boven een vuur, roerend, dag na dag.260
'Ik herinner me de boerderijkeuken met de pot rooibosthee die aan de zijkant van het fornuis stond te brouwen', herinnerde een verslaggever voor het Die Landbouweekblad in 1967, '"Want", zeggen doorgewinterde rooibostheedrinkers, "hoe langer rooibos gebrouwen wordt, hoe lekkerder het wordt."'261
De sociale status van rooibos bleef bijna de hele twintigste eeuw laag.  In blanke gemeenschappen werd het beschouwd als een betaalbare vervanger van de geïmporteerde thee.262 Daarom werd rooibos geserveerd in herbergen en internaten.
Christo Nieuwoudt (geboren in 1935) vertelt dat hij op zijn kostschool in Clanwilliam altijd rooibos kreeg, nooit zwarte thee: 'De kerk, die de school beheerde, moest de kosten laag houden, en iedereen was erg arm.'263 Zijn zus, Esna Ehlers, die ook op een kostschool in Clanwilliam zat, vertelt dat de rooibos daar gemaakt was van theegruis. Ze vond het zo onaangenaam dat ze geen rooibos meer drinkt.264
James van Putten, geboren op een boerderij in het Clanwilliam district in de jaren 1930, herinnert zich dat zijn familie geen rooibosthee dronk, 'omdat de kwaliteit van het product in die tijd zo laag was dat we het niet lekker vonden'.265 Een populaire manier om rooibos te serveren was het te mengen met Ceylon thee, om het laatste, duurdere product langer houdbaar te maken.266 Rooibos werd ook gemengd met andere 'bush teas'. Ernst Smit, een Cederbergse burgerhistoricus, schreef dat bloublommetjiethee (Felicia echinata), met zijn intense smaak, aan rooibosthee werd toegevoegd om de drank sterker te maken.267
Verschillende respondenten lieten mij weten dat het in de jaren veertig-vijftig 'sociaal geen goed idee' was om rooibosthee aan gasten te serveren. Bezoekers kregen altijd Ceylon thee.268 Thelma Harding (geboren in 1931), een dochter van Oloff Bergh, een pionier op het gebied van rooibosteelt, vertelt dat haar familie helemaal geen rooibos gebruikte: 'Het werd gezien als een thee voor de armen. Mijn ouders dronken geen rooibos, hoewel ze het wel verbouwden.'269
In de gekleurde gemeenschappen, evenzeer als in de blanke, lijkt de consumptie van rooibos geassocieerd te zijn geweest met ontbering en armoede. Theunis Jooste, die in de jaren 1910 werd geboren en opgroeide in de Wupperthal, zegt dat ze in zijn familie gewoonlijk koffie serveerden aan gasten, hoewel ze ook wilde rooibos verzamelden en verwerkten om thuis te gebruiken.270
Een sociologische studie van de Wupperthal gemeenschap uit 1950 stelde vast dat de bewoners koffie kochten in de dorpswinkel. Thee hoefden zij niet aan te schaffen, want "in de omliggende bergen groeit een theeplant, die als zeer goed wordt beschouwd.  De kleurlingen slaan dat regelmatig in de bergen in.'271 Vreemd genoeg gaven de respondenten in dat onderzoek geen details over de consumptie van thee (Aziatisch of lokaal) in hun huishouden. Er werd alleen genoteerd dat bij elke maaltijd zwarte koffie werd gedronken.272

Mogelijk wilden de respondenten het gebruik van de 'lage' rooibos niet toegeven en vertelden ze de onderzoeker liever dat ze de meer 'prestigieuze' koffie gebruikten bij het ontbijt, de lunch en het avondeten.
Barend Salomo (geboren in 1958 in de Wupperthal) vertelde me dat brood en pure rooibos, zonder melk, een gebruikelijk ontbijt was in zijn familie.  Ook zijn moeder (geboren in 1918) kreeg 's morgens altijd brood en rooibos.273 Benjamin Zimri (geboren in 1939), woonachtig in Brugkraal, ongeveer tien kilometer ten noordwesten van Wupperthal, meldde eveneens dat brood en rooibos in zijn omgeving een hoofdvoedsel waren.274
Een gelijkaardige verklaring werd afgelegd door Petrus Hanekom (geboren in 1940), wiens familie al sinds het midden van de negentiende eeuw in de Grootkloof woont.  Volgens hem diende rooibos als traditionele ochtenddrank. Tegelijkertijd 'waren de mensen van Grootkloof echte diep-liefhebbers. Als ze koffie hadden, was het leven goed. "'Brood-en-koffie' was een maaltijd.'275
'Vroeger haalde je koffie in bonen uit een winkel en maalde die', vertelt Willem Boer van de Esselbank, die in de jaren vijftig bij de Strassberger rooiboshandel had gewerkt. 'Als die koffie er niet was, dronken we rooibos.'276
Dat koffie de lievelingsdrank van de gemeenschap was, werd bevestigd door enkele van de oudste bewoners van de Heuningvlei, een andere buitenplaats van Wupperthal. Johannes Ockhuis (geboren in 1934), een kleinschalige rooibosboer, vertelde me dat ze vroeger weinig rooibos dronken.  'De koffie in bonen was vroeger bijna als voedsel voor ons. Daarom dronken maar weinig mensen rooibosthee.'277
Volgens Rhoda Malgas is het maken van rooibosthee als afkooksel nog steeds gebruikelijk in de Suid Bokkeveldse gekleurde gemeenschappen.278 Een andere wijdverbreide praktijk die haar respondenten hebben gemeld, is het mengen van wilde rooibos met Ceylonthee.279 Koffie is echter nog steeds de favoriete warme drank in het gebied, zowel om te nuttigen door het gezin als om te serveren aan gasten. Volgens Malgas zou dit een weerspiegeling kunnen zijn van het negatieve imago dat rooibosthee decennia lang had als een 'armeluisdrank'.280
Een andere veel voorkomende opvatting in gekleurde gemeenschappen is dat rooibos de eetlust stimuleert. Zoals Nokwanda Makunga beweert, vertelden veel van de respondenten in het onderzoek naar traditionele kennis over rooibos, in opdracht van het Departement van Milieuzaken, haar dat 'rooibosthee je hongerig maakt'.281 Deze opvatting wordt gedeeld door sommige van de mensen die ik in de Cederberg interviewde.282
Ben-Erik van Wyk zegt dat de gekleurde mensen die hij interviewde in de Cederberg, als onderdeel van zijn onderzoek naar traditionele kennis geassocieerd met inheemse medicinale planten, zelfs spraken over de drank als 'hongertee' (hongerthee). Ze legden uit: "Soms wil je geen rooibos omdat je er honger van krijgt. Maar dan wil je geen honger hebben, want je hebt geen eten.'283
Bruce Ginsberg, die opgroeide in de Cederberg en daar de boerderijen van zijn familie beheerde, vertelt over zijn mislukte pogingen in de jaren zeventig om zijn gekleurde arbeiders rooibosthee te laten drinken. De reputatie van rooibosthee was dat je er honger van kreeg, en daarom was het niet wenselijk als drank', zegt hij. Gewone thee of koffie, met zijn stimulerende cafeïne, waren hun voorkeursdranken.'284
Over eetlust gesproken, ondanks de recente populariteit van rooibos als keukeningrediënt,285 lijkt dit gebruik niet geworteld te zijn in de geschiedenis. C Louis Leipoldt, die zijn kinder- en tienerjaren in de Cederberg doorbracht, een expert was in Zuid-Afrikaanse kooktradities en vele verzamelingen recepten schreef, heeft geen enkel culinair gebruik van rooibos opgetekend. Het is mogelijk dat noch blanke noch niet-blanke bewoners van de regio gerechten met rooibos maakten in de jaren 1880-begin 1900, toen Leipoldt in Clanwilliam woonde. Anders zou Leipoldt ze wel hebben gekend: zijn kookmentor was een gekleurde vrouw genaamd Hanna die voor zijn familie werkte.286
In populaire Zuid-Afrikaanse kookboeken van voor de jaren zeventig zijn geen gerechten met rooibos aangetroffen.287 In feite werd in die boeken geen enkele andere 'Cape bush tea' genoemd. Misschien was de enige uitzondering The Colonial Household Guide, het handboek van mevrouw A R Barnes voor huisvrouwen uit het Victoriaanse tijdperk in zuidelijk Afrika. Zij gaf instructies voor het maken van een afkooksel van een 'bush tea'.  Waarschijnlijk zinspeelde Barnes op honeybush, de populairste en gemakkelijkst verkrijgbare kruidenthee in de Kaapkolonie.288

Dat de infusie of het afkooksel van rooibos tot de laatste veertig jaar niet als kookingrediënt werd gezien, wordt bevestigd door Renata Coetzee. In haar baanbrekende studie over de geschiedenis van de Zuid-Afrikaanse keuken, Spys en drank, in de jaren zeventig, ging zij niet in op rooibos, omdat 'er niet veel te zeggen was over het culinaire gebruik ervan'.289
Volgens Coetzee verschenen de vroegste recepten met rooibos bij haar weten in een boekje, samengesteld en uitgegeven door de Rooibos Tea Control Board.290 Die verzameling bevatte echter alleen dranken.291 Bij mijn weten was het eerste receptenboek met recepten van gerechten met rooibos als ingrediënt een publicatie uit 1973, eveneens uitgegeven door de board.292 Annekie Theron beweerde dat die recepten door haar waren vervaardigd, na haar experimenten met rooibosthee aan het eind van de jaren zestig.293
4.2. Geneesmiddelen
4.2.1. EERSTE EVIDENTIE 
Mijn oudste respondent, Theunis Jooste (geboren in de jaren 1910), die opgroeide in het Wupperthal gebied, heeft mij verteld dat rooibos in zijn gemeenschap in de eerste plaats werd gezien als een functionele drank (medicijn, tonicum) en pas later werd genoten om zijn smaak (als thee).294
Dit is het enige bewijs van deze strekking dat ik heb kunnen vinden.  Ik ken ook geen vroege bronnen die dit kunnen bevestigen.
C Louis Leipoldt, schrijver, botanisch verzamelaar en in Engeland opgeleid arts, zou op de hoogte kunnen zijn geweest van de therapeutische eigenschappen van de Aspalathus linearis.  Zijn belangstelling voor de geneeskrachtige planten en natuurlijke geneeswijzen van de Cederberg begon in zijn jeugd.295 Leipoldt correspondeerde met de belangrijkste botanici van de Kaap - Rudolf Marloth, Rudolph Schlechter, Peter MacOwan en Harry Bolus - en ging met hen mee op hun verzameltochten naar de Cederberg.296 Als jongen in Clanwilliam sprak hij met oude kleurlingen, onder wie voormalige slaven.297 Een van hen, Outa Klaas, was een vooraanstaand kruidendokter, in wie 'de kennis van een hele farmacopeia gecentreerd was; hij kent de waarde en de werking van elke plant en elk geneesmiddel dat in C[lanwilliam] te vinden is.'298
Leipoldt, met zijn uitstekende kennis van de Cederberg flora en folklore kan op de hoogte zijn geweest van vroege medicinale toepassingen van de rooibos plant, maar het lijkt erop dat hij er nooit schriftelijk commentaar op heeft gegeven. Tenminste, er is geen vermelding van gevonden in zijn gepubliceerde werken of zijn overgeleverde papieren, inclusief zijn correspondentie met Harry Bolus en Pieter Nortier.299
Waarschijnlijk de vroegst gepubliceerde informatie over de medicinale eigenschappen van rooibos is te vinden in de advertenties die verschenen nadat rooibos was geïntroduceerd in de rest van de Kaapkolonie.
Een advertentie in de Cape Times (1909) presenteerde rooibos als 'een zeker middel tegen indigestie en zenuwaandoeningen.  Aanbevolen door de medische professie.'300 En in promotiemateriaal ontworpen voor de Zuid-Afrikaanse tentoonstelling in Londen in 1907, werd verklaard dat deze thee een 'kalmerend effect had op het systeem.  Dyspeptici [zij die lijden aan indigestie], en zij die last hebben van zenuwaandoeningen, drinken deze charmante drank straffeloos.'301
In 1909 meldde de Rand Daily Mail dat het New Somerset Hospital in Kaapstad ongeveer 200 pond rooibos per maand gebruikte vanwege de 'medische kwaliteiten', heilzaam voor mensen die leden aan 'indigestie en nervositeit'.302

Biochemische studies naar de vermeende medicinale eigenschappen van rooibos werden tot in de jaren 1970 niet uitgevoerd.  Daarom kunnen we aannemen dat deze reclameclaims gebaseerd waren op de traditionele kennis die in rooibos producerende gebieden bestond - in het begin van de twintigste eeuw en, mogelijk, al veel eerder. Zoals we in het volgende deel van dit artikel zullen zien, wordt de "kalmerende werking" van rooibosthee bij angst en maagklachten tot op de dag van vandaag algemeen erkend als onderdeel van de traditionele kennis die met deze drank verbonden is.